|
Welkom
bij PUMP TALK
DE
DRUKRICHTLIJN EN POMPEN - EEN TOELICHTING
Reden voor pompforum.nl om aan dit onderwerp aandacht te besteden. Wij beschrijven waarom de richtlijn in het leven is geroepen, wat de richtlijn inhoudt, welke uitzonderingen er zijn en wat de gevolgen zijn voor pompen en pompgerelateerde componenten. De meeste richtlijnen die als basis veiligheid hebben, zijn bedoeld om het vrije verkeer van goederen en diensten binnen de Europese Unie te bevorderen. Het voorkomt, dat bijvoorbeeld een Italiaans product door Duitse afnemers wordt geweerd met als reden "de wettelijke bepalingen hier zijn anders" (een richtlijn heeft de status van wet!). Zo hebben we in 1995 de invoering gehad van de machinerichtlijn, een wet die eisen stelt aan bewegende machines. Drukrichtlijn
97/23/EG: Overgangsperiode: Waarop
is de drukrichtlijn van toepassing? Categoriëen: Uitzonderingen:
Tot
slot: Terwijl
de drukrichtlijn nog niet eens alle betrokken partijen volledig duidelijk
is, is de volgende richtlijn alweer in aantocht: in juli 2003 wordt
de ATEX van kracht. Deze richtlijn stelt eisen aan de explosieveiligheid
van machines. Pompfabrikanten zullen door deze richtlijn gedwongen worden
alle facetten binnen het ontwerp van de pomp die tot explosiegevaarlijke
situaties kunnen leiden te toetsen op confirmiteit aan de richtlijn.
Voor
de pompforumbezoeker die meer wil weten over de drukrichtlijn 97/23/EG
verwijzen wij naar de site van het Ministerie van SZW: www.minszw.nl
op de pagina 'veilig werken' en vervolgens 'apparatuur'.
Moderne technieken bieden steeds meer mogelijkheden om, vaak in combinatie met de computer, betere inzichten te krijgen in de prestaties, het uit te voeren onderhoud en het eventueel falen van machines. Ook aan pompen is deze ontwikkeling niet voorbijgegaan. Een pomp, die correct is afgestemd op de toepassing en binnen het werkgebied draait waarvoor hij is ontworpen, kan vele jaren goede diensten bewijzen. Onderhoud is in dit geval eenvoudig in te plannen en bij een eventueel defect zijn de gevolgschades meestal beperkt. Helaas
wijst de praktijk uit dat er, ondanks goede wil van zowel leverancier
als gebruiker, vele pompen buiten het werkgebied, als bedoeld door de
fabrikant, worden ingezet. Voor
een goede analyse van de mogelijke oorzaken van bovenstaande problematiek
is het belangrijk om te weten welke van de bovengenoemde parameters
een rol spelen. Het kritisch bekijken van de toe- en afvoercondities van de pomp en deze eventueel aanpassen volstaat in de meeste gevallen. De situatie kan echter ook aanzienlijk complexer liggen, indien het probleem wordt gevormd door het samenspel tussen twee of meer parameters of indien zich in de pomp verschijnselen voordoen die geheel aan oog en oor onttrokken blijven. In deze situaties zal de hulp van moderne elektronica onontbeerlijk zijn. Tevens zal het monitoren van relevante data van het pompbedrijf, de basis zijn om de onderhoudsplanning voor de toekomst op te baseren. In de volgende alineas volgt een beschrijving van electronische meetmethodes, de conclusies die men hieruit mag trekken en de invloed van de meetwaarden op de onderhoudsplanning.
Het deel dat nodig is om de vloeistof te verplaatsen, is voor elke pomp gelijk, als zodanig natuurkundig bepaald. De verliezen in de pomp, uiteindelijk bepalend voor het rendement hiervan, verschillen sterk van uitvoering, werkingsprincipe en kwaliteit van het product. Doordat in bedrijf beide een vast gegeven zijn, althans op het werkpunt en toepassing waarop de pomp gekocht is, zullen veranderingen in het opgenomen vermogen maatgevend zijn voor een verschuiving van de parameters. Bijvoorbeeld: een centrifugaalpomp die ineens een viskeuzer product te verwerken krijgt, zal een toename in opgenomen vermogen te zien geven. Een zijkanaalwaaierpomp, die een toename in opvoerhoogte moet compenseren, gaat ook meer vermogen vragen. Een drieplunjerpomp die te maken krijgt met een hogere inlaatdruk laat een afname van vermogen zien. Ook inwendige slijtage aan roterende delen of andere mechanische problemen laat zich direct vertalen in vermogensverandering. Bij
de toepassing van een draaistroommotor wordt het opgenomen vermogen
bepaald door (in formule): v3 x U x I x cos f. (waarbij U= spanning
over de klemmen, I= gemeten stroom en cos f= arbeidsfactor). Door simpelweg
de stroom te meten zou men de belasting van de pomp/motor-combinatie
eenvoudig kunnen bepalen. In de praktijk is het zeer gangbaar dat motoren
met een groter vermogen dan gecalculeerd worden gekozen als veiligheid.
Doordat veelal in vermogensberekeningen ook al veiligheden worden ingebouwd,
zal het uiteindelijk geïnstalleerde vermogen ver boven het opgenomen
vermogen liggen. In eerste instantie lijkt dit positief, echter in de
wetenschap dat zowel het rendement, als de arbeidsfactor (cos f) afnemen
bij belasting kleiner dan 100%, neemt de uiteindelijke stroomopname
niet lineair af. Gevolg hiervan is dat het ook lastiger word om een
vermogingsmeting alleen op opgenomen stroom toe te passen. Om het opgenomen
vermogen van pompen te meten kunnen we gebruik maken van een zogenaamd
vermogensmeetrelais). -
Stroom en arbeidsfaktor (cos f) Beide geven een goed beeld, zelfs bij kleinere motoren waar de opgenomen stroom stijgt naarmate de belasting daalt (door sprongsgewijzedaling van het rendement). De meeste relais kennen twee instelwaarden: hoog, waarbij na overschrijding de motor wordt gestopt of alarm wordt gegeven, en laag, waarbij de ondergrens wordt bewaakt. De waarden kunnen door calculatie of, meer gangbaar, empirisch worden bepaald. Bij centrifugaalpompen wordt vaak gekozen als instelwaarde de beide werkpunten, die op de pompcurve niet over- of onderschreden mogen worden. Overschrijding (te veel rechts in de curve) kan leiden tot cavitatie of overbelasting van de motor. Teveel links in de curve kan bij asafdichtingsloze pompen een te lage circulatie kan tot gevolg hebben, of bij andere typen centrifugaalpompen temperatuurs-verhoging van de vloeistof. Voor verdringerpompen past men vermogensbewakingrelais toe om de pomp (en wellicht het systeem) te behoeden voor een langdurig bedrijf bij een te hoge druk, effecten van viscositeit te detecteren en, ook van toepassing bij centrifugaalpompen, te bewaken tegen drooglopen.
Een
van de oudste en waarschijnlijk meest gebruikte sensoren in een pomp
is de temperatuur-meting. Uiteraard wordt deze nagenoeg altijd ingezet
indien een stollingsgevoelig of polymeriserend product word verpompt.
Maar ook buiten deze twee inzetgebieden kan een temperatuursensor van
nut zijn. Elke pomp draagt in meer of mindere mate bij tot een temperatuurverhoging
van de verpompte vloeistof. Dit leidt zelden tot problemen behalve bij
een paar fragiele vloeistoffen. Temperatuurvoelers worden dan ook meestal
niet gebruikt om, anders dan bij stollingsgevoelige producten, de vloeistoftemperatuur
te meten. Zij worden ingebouwd om temperatuurverhoging door mechanisch
contact tussen pomponderdelen te meten. Dit komt men vooral tegen bij
asafdichtingsloze pompen. Bij droogloop of langdurig draaien tegen gesloten
pers, constateert de sensor direct een forse temperatuurverhoging. PT
100 elementen worden vaak ingebouwd voor een betrouwbare meting tussen
de -80 en
Steeds
populairder is het gebruik van trillingsopnemers, die iets zeggen over
de algehele "gesteldheid" van de pompset. Door het aanbrengen
van vaste meetpunten op de componenten van een pompset kan de toestand
van de desbetreffende apparatuur bewaakt worden. Veelal herhaalt men
de meting met tussenpozen, om de meetwaarden in de tijd met elkaar te
vergelijken en hier eventuele veranderingen in te constateren.
Ook
het aantal metingen wat voor en na de pomp word uitgevoerd neemt de
laatste jaren enorm toe. Variabelen zoals druk, doorstroming en temperatuur
worden als standaard meetwaarden, in procesystemen opgenomen. Uiteraard
zeggen de gemeten waarden iets over de toestand van de pomp. Nadeel
van deze opstelling is wel dat het uiteindelijke doel van de meting
niet het bewaken van de pomp is, maar het bewaken van de toestand van
het systeem.
Metingen naar type/uitvoering pomp: Steeds meer pompen worden voorzien van ingebouwde sensoren of anderssoortige opnemers. Soms omdat ze simpelweg nodig zijn voor de juiste werking van de pomp, soms om de toestand van de pomp te kunnen bewaken. Een aantal voorbeelden van ingebouwde sensoren: -
Lagerbewaking: bij een aantal fabrikanten van busmotoren pompen is het
mogelijk de toestand van de lagers te laten bewaken door opnemers. Dit
is zowel mogelijk in elekrische uitvoering als op een mechanische basis.
De mechanische uitvoering wordt gerealiseerd door een met stikstof gevulde
houder die doorslijt als de rotor door axiale en/of radiale slijtage
van positie verandert. De modernste uitvoeringen werken electronisch.
Door middel van spoelen in rotor en stator of door magneetjes word de
verplaatsing gemeten. - Lekkagebewaking: Op kritieke pomponderdelen of in dedirecte nabijheid hiervan, kunnen lekkage-opnemers worden geplaatst. Meestal gebaseerd op geleiding, zorgen deze er voor dat bij contact met het product een melding wordt afgegeven. Op dezelfde wijze kan water in olie worden gedetecteerd, zoals dat gebeurt bij diverse typen verdringerpompen en lang-gekoppelde centrifugaalpompen.
Drukvaten en vast leidingwerk zijn gewoonlijk door veiligheidstoestellen beschermd tegen excessieve drukstijging. Het ontbreken van deze veiligheidstoestellen kan leiden tot storingen met rampzalige gevolgen. Zelfs een minimale uitzetting van vloeistof door een drukstijging kan grote ongemakken veroorzaken, zoals het opnieuw inregelen van veiligheden of het vervangen van breekplaten. Een thermisch expansievat of drukvat op het leidingsysteem onderdrukt een snelle drukstijging en biedt extra veiligheid.
Voorspelling
van drukstijgingen P1 =1,0 bar P2 = P1 x Vb1 / Vb2 = 101 bar Deze hoge druk blijft niet lang in het systeem gehandhaafd. Een veiligheid opent of er treedt schade op aan het leidingwerk. Calculatie
van de juiste inhoud 1.
Bepaal het opgesloten of initieel volume van het systeem,V1 Voorbeeld: Bepaal nu het volume dat na het inblokken is achtergebleven. De volgende formule bevat de omzetting van de beschikbare leidingdiameters en lengtes naar de inhoud in liters. V = (π.d².L1)/4 + (π.d².L1)/4 = π.7,797².104/10³ /4 + π.5,258².0,85.104/10³ /4 Bepaal
de verhouding tussen de dichtheden bij maximale en minimale temperatuur Maak
een initiële keuze voor het expansievat dat het dichtst bij de
betreffende inhoud ligt. Het zal regelmatig voorkomen dat de selectie
een aantal malen herhaald moet worden om de meest geschikte keuze te
maken. In dit voorbeeld kiezen we uiteindelijk een inhoud van 100 liter. Indien
het voorvullen bij een omgevingstemperatuur van 20°C heeft plaatsgevonden,
wordt op het certificaat vermeld: Het expansievolume zal een gedeelte van het totale volume innemen: Vmin = Va - Vexp= 100 - 18,5 = 81,5 dm³ Vervolgens wordt de druk bij de maximale temperatuur berekend: P2 =(Ppc .Va . T2) / (Vmin . T1) = (10,3 . 100 . 303) / (81,5.283) = 13,53 bar Aangezien deze druk lager is dan de ontwerpdruk van het 100 liter expansievat is de keuze van dit type dus de juiste geweest. Een andere methode om het juiste type te bepalen is het volume te berekenen en na te gaan of dit toereikend is om de maximale systeemdruk niet te overschrijden. Vmin =(Ppc .Va . T2) / (T1 . Pmax) = (10,3 . 100 . 303) / (283 . 16,6) = 66,4 dm³
Het laatste aspect om rekening mee te houden is het temperatuurbereik. In het voorbeeld is er voldoende volume ter beschikking om de temperatuur verder te laten oplopen. Echter hoeveel? De dichtheden van de vloeistof zijn berekend door middel van lineaire extrapolatie. Het leidingsysteem heeft een inhoud van 662 dm³. Het beste is om exacte waarden te gebruiken. Voor een temperatuur van 60°C met een dichtheid van 1498 kg/m³ geldt de volgende berekening: S = 1,608 / 1,498 = 1,073 V2 = 1,073 x 662 = 710,6 dm³ Vexp = 710,6 - 662 = 48,6 dm³ P2 = (10,3 x 100 x 333) / (283 x 51,4) = 23,6 bar Hier komen we uit boven het toegestane maximum. Stel de temperatuur is 40°C en de dichtheid 1542 kg/dm³, dan geldt de volgende berekening: S = 1,608 / 1,542 = 1,043 V2 = 1,043 x 661,6 = 690,5 dm³ Vexp = 690,5 - 662 = 28,5 dm³ P2 = (10,3 x 100 x 313) / (283 x 71,5) = 15,9 bar
Met
bovenstaande toelichting en rekenvoorbeeld heeft u inzicht gekregen
in hoe een relatief simpele oplossing kan bijdragen in de betrouwbaarheid
en veiligheid van systemen.
*
De voorvuldruk dient iets boven Pn te liggen bij
de laagste temperatuur ------
-----
----- Eén van de meeste besproken onderwerpen
in de pomptechniek is ongetwijfeld NPSH (net positive suction head),
netto positieve zuighoogte in het Nederlands. Niet ten onrechte, want
de meeste schade/storingen treden op als gevolg van een verkeerde berekening
van NPSH.
|
![]() Voorbeeld van een door cavitatie aangetaste waaier |
Cavitatie manifesteert zich eerst als kleine putjes in het metaaloppervlakte. Bij het voortdurend bedrijf onder cavitatieomstandigheden verandert het gehele oppervlak in een 'maanlandschap'. Cavitatie neemt toe naarmate het oppervlak ruwer wordt en van cavitatie wordt een oppervlak ruw, een zichzelf versterkend proces dus, met als eindresultaat dat hele stukken materiaal zullen verdwijnen en er gaten en scheuren ontstaan.
Berekening van beschikbare NPSH:
Aan
de hand van een ladderdiagram, zoals hieronder afgebeeld, is eenvoudig
te berekenen of de beschikbare NPSH (NPSHa) boven de benodigde NPSH
(NPSHr) ligt. Onder aan dit artikel is een volledig uitgewerkt voorbeeld
opgenomen van hoe NPSH berekend kan worden.
NPSH-waarde bij centrifugaal pompen:
De toeloopdruk, het toerental van de waaier en de
toeloopcondities zijn vooral bepalend voor het ontstaan van cavitatie
bij centrifugaalpompen. Ook de plaats van het werkpunt op de pompcurve
is bepalend voor het wel of niet ontstaan van cavitatie.
Hoewel cavitatie in de werkomgeving van de pomp vaak slecht waarneembaar
is, geven we toch een paar signalen waarbij de waarnemer bedacht moet
zijn op cavitatie:
Deze grafiek toont duidelijk welke effecten er in welke cavitatiefase optreden. We kunnen hieruit opmaken dat naarmate de cavitatie toeneemt de ruis en de materiaalafname afneemt. Uit alle aspecten is vermeerderde cavitatie te signaleren.
NPSH waarde bij verdringerpompen:
De
kenmerken van cavitatie en de symptomen hiervan, zijn bij verdringerpompen
niet wezenlijk anders dan bij centrifugaalpompen.
Bij verdringerpompen spelen een aantal extra aspecten in de benadering
van het probleem.
De benodigde NPSH ligt bij bijna alle verdringerpompen ruim boven de
kentallen van centrifugaalpompen, door de constructieve details in en
om de verdringerpomp.
Bij verdringerpompen maken we het onderscheid tussen de roterende pompen
en de reciprocerende (op en neer gaande) pompen. Bij het eerste type
verloopt de NPSH calculatie in grote lijnen gelijk aan die bij centrifugaalpompen.
Bij reciprocerende pompen moet echter ook rekening gehouden worden met
acceleratie en deacceleratie, drukstoten en weerstand in de kleppen, die effect hebben op de aanzuigcondities van de pomp. Veelal is
een pulsatiedemper in de zuig noodzakelijk. Voor laagtoerige plunjer-,
plunjermembraan- of doseerpompen is het raadzaam de NPSHa calculatie
in samenwerking met de leverancier uit te voeren. Het voert te ver om
in deze Pump Talk de vele verschillende NPSH calculaties voor alle typen
verdringerpompen te omschrijven.
Tot slot:
De netto positieve zuighoogte is een begrip in de wereld van pompen. Het goed functioneren van een pomp hangt mede af van de juistheid van de keuze van pomp en systeem met betrekking tot de NPSH. Door de schadelijke gevolgen van cavitatie blijven de capaciteit en opvoerhoogte achter bij de verwachtingen, en leiden veelvuldig onderhoud en reparatie tot nogal wat ergernis.
In deze Pump Talk zijn de hoofdaspecten van NPSH aan de orde gekomen er is een calculatie-methode besproken. Deze informatie is toereikend om het merendeel van de pomptoepassingen juist uit te leggen. Uiteraard is de achterliggende theorie veel uitgebreider en completer dan hier aangegeven, in specifieke gevallen dienen dan ook meer verfijnde calculaties toegepast te worden.
Uw
reacties op dit artikel zijn vanzelfsprekend welkom op info@pompforum.nl.
Bijlage: Praktijkvoorbeeld van een NPSH berekening:
Aan de hand van het volgende voorbeeld word de NPSH beschikbaar op eenvoudige wijze bepaald. De opstelling is als volgt:
De volgende proces gegevens zijn van toepassing:
Viscositeit: 1,0 cP Dichtheid: 978 kg/m³
Temperatuur: 62 °C Dampspanning: 0,26 barA @ 62°C
Capaciteit: 27 m³/h Verschilhoogte: 60 mvk
Aan de hand van deze gegevens valt de keuze op een chemienorm pomp type 40-250
Uit de curve valt tevens de waaierdiameter ø 220 mm en de NPSHR van 2,6 mvk te halen.
![]() |
V= vloeistofsnelheid in leiding (m/s) d= inwendige leiding diameter (m)
Q = Capaciteit door de leiding (m³/h)
De snelheid in het zuigleiding-gedeelte ligt tussen 1 en 1,5 m/s en voldoet dus aan de algemeen geldende norm.
Vervolgens zal er bepaald moeten worden of er een laminaire of turbulente stroming in de zuigleiding optreed in verband met de leidingverliezen.
Hiervoor word het
zogenaamde Reynolds getal vastgesteld.
![]() |
Dit kunnen we nu in de formule ter bepaling van het Reynolds getal invullen.
Doordat het Reynoldsgetal > 2320 is duidelijk
dat we hier met een turbulente stroming te maken hebben. Om nu de leidingverliezen
te kunnen bepalen zal eerst het wrijvingsgetal l moeten worden bepaald. Hiertoe gebruiken
we de formule:
De wandruwheid van
het in dit voorbeeld gekozen RVS buismateriaal bedraagt 0,05 mm
![]() |
![]() |
Na de verliezen in het rechte gedeelte van de leiding te hebben bepaald dienen nog de verliezen in de appendages te worden uitgerekend. Dit gebeurt door de weerstandsfactor over het betreffende appendage in de volgende formule in te vullen:
De factor x van de appendages is proefondervindelijk
bepaald en word in tabellen gespecificeerd. In elk handboek zijn ze
te vinden tot in elk detail gespecificeerd.
In ons voorbeeld krijgen we dus:
Hdyn leiding 0,272 m
voor de bochten 0,074 m
voor de afsluiters 0,316 m
Hdyn
voor het filter word aangenomen 3,50 m
Totaal 4,162 m
We beschikken nu over voldoende parameters om de NPSH calculatie te gaan uitvoeren.
|
+ |
- |
|
|
Statische toeloophoogte* |
5,3 m |
|
|
Atmosferische druk ** |
10,2 m |
|
|
Dampspanning ** |
2,71 m |
|
|
Dynamische verliezen |
4,16 m |
|
|
Pomp NPSHr |
2,6 m |
|
|
Snelheidshoogte v2/2g |
0,1 m |
|
|
15,5 m |
9,57 m |
* Indien er sprake is van een aanzuighoogte dient een negatief getal in de calculatie te worden opgenomen
** Met de formule P = r . g . h P (Pa) r (kg/m³) g (m/s²) h (m) kan eenvoudig druk naar meters vloeistofkolom worden omgerekend
Uit de tabel blijkt dat er 15,5 m ten gunste werkt en dat er 9,57 m minimaal noodzakelijk is. Het verschil hiervan, te weten 5,93 m, is de veiligheidsmarge die we in deze toepassing hebben. Voldoende om de gekozen pomp probleemloos in bedrijf te nemen.